Afschrijvingen na 1 januari 2020

Bij "Hervorming vennootschapsbelasting" denkt u in eerste instantie aan het goede nieuws: de verlaging van het nominale tarief naar 25% (vanaf 2020). De hervorming bevatte echter ook een reeks compenserende maatregelen. De hervorming komt vanaf 2020 op kruissnelheid ... de compenserende maatregelen dus ook.

Het normale afschrijvingspercentage

Investeringen moeten afgeschreven worden over hun "vermoedelijke gebruiksduur". Er bestaan enkele algemeen aanvaarde termijnen van die vermoedelijke gebruiksduur, maar er is niet zoiets als een officiële tabel die weergeeft over welke termijn een bepaald soort investering moet afgeschreven worden.
Voor wagens wordt bijvoorbeeld een afschrijving over 5 jaar meestal wel aanvaard. Hetzelfde geldt voor een afschrijving over 20 of 33 jaar voor bepaalde gebouwen. Mits een goede argumentatie kan u, maar ook de fiscus, andere termijnen hanteren.

Hoe zit het met bijkomende kosten?

Voorbeelden van bijkomende kosten zijn de registratierechten op de aankoop van een gebouw, het honorarium van de notaris, installatiekosten, niet-aftrekbare btw, ...

We moeten een onderscheid maken tussen grote vennootschappen en kmo's.

Voor grote vennootschappen geldt als sinds jaar en dag dat zo'n bijkomende kosten moeten afgeschreven worden aan het zelfde ritme als de investering zelf. Bovendien moet de afschrijving van het eerste jaar "pro rata temporis" beperkt worden: gebeurde de investering op 1 maand van het einde van het boekjaar, dan mag u ook maar 1/12de van de jaarlijkse afschrijving effectief in aftrek brengen.

Die regels waren tot nog toe niet van toepassing voor kmo's. Voor bijkomende kosten konden zij kiezen tussen het volledige bedrag in 1 keer aftrekken, afschrijven over een andere termijn of afschrijven over dezelfde termijn als de investering. Bovendien was er geen beperking "pro rata temporis".
Met een goed gekozen datum van een investering kon een kmo dus de belastbare winst van dat jaar sterk beïnvloeden.

Vanaf 1 januari 2020

Voor investeringen vanaf 1 januari 2020 is dat niet meer mogelijk: kmo's kunnen niet langer het ritme van afschrijving van de bijkomende kosten vrij bepalen. Ze hebben de keuze tussen afschrijven op hetzelfde ritme als de investering, of in 1 keer afschrijven.
Bovendien moet voortaan ook voor kmo's de eerste afschrijving beperkt worden "pro rata temporis", dus in verhouding tot het gedeelte van het boekjaar waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht.

Noteer wel dat als u de bijkomende kosten afschrijft volgens hetzelfde ritme als de investering zelf, u de bijkomende kosten ook mag meerekenen voor de investeringsaftrek voor die investering.

Degressief afschrijven

Bij degressief afschrijven bedraagt de eerste afschrijving het dubbele van het normale (lineaire) afschrijvingspercentage. Dat dubbele percentage past u toe op de restwaarde (het lineaire afschrijvingspercentage moet u toepassen op de aanschaffingswaarde) tot de lineaire afschrijving groter is dan het degressieve.

Concreet: uw investering bedraagt 1.000 en u schrijft af op 5 jaar

 

Lineair

Restwaarde

Degressief

Restwaarde

U past toe

Jaar 1

200

800

400 (40% op 1.000)

600

400

Jaar 2

200

600

240 (40% op 600)

360

260

Jaar 3

200

400

144 (40% op 360)

/

200

Jaar 4

200

200

   

140

Jaar 5

200

0

     

Vanaf jaar 3 is de lineaire afschrijving groter dan de degressieve en kan u overschakelen naar de lineaire methode.

Met de degressieve afschrijving kan u de termijn waarover u afschrijft dus inkorten. Maar deze mogelijkheid werd door de hervorming vennootschapsbelasting afgeschaft voor alle vennootschappen (klein en groot) vanaf 1 januari 2020. Zelfstandige ondernemers kunnen deze methode wel nog blijven gebruiken.