Voordeel alle aard gebruik woning: rechtspraak vindt regels ongrondwettig

Wie gratis een woning ter beschikking krijgt van zijn werkgever, krijgt een belastbaar fiscaal voordeel. De waarde van dit voordeel wordt anders bepaald naargelang het goed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. Het voordeel is bijna vier keer zo duur als het wordt verstrekt door een rechtspersoon (vennootschap). In de rechtspraak werd recent tweemaal geoordeeld dat dit in strijd is met de Grondwet.

Waarover gaat het?

Een werknemer of bedrijfsleider die gratis een onroerend goed ter beschikking krijgt van zijn werkgever of vennootschap, krijgt een voordeel van alle aard, waarop hij wordt belast.

De waarde van dit voordeel wordt forfaitair bepaald. Welke formule daarbij gebruikt wordt, hangt af van wie het onroerend goed ter beschikking stelt:

  • Het goed wordt ter beschikking gesteld door een natuurlijk persoon
    = het geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) van het gebouw × 100/60.
  • Het goed wordt ter beschikking gesteld door een rechtspersoon (bv. een vennootschap)
    = het geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) van het gebouw × 100/60 × 3,8. Als het KI van het onroerend goed lager dan of gelijk is aan 745 EUR, moet er slechts met 1,25 worden vermenigvuldigd.

De wet mildert deze regels voor de situatie dat het onroerend goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker overtreft. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de maatschappelijke toestand van de werknemer en de samenstelling van zijn gezin. Voor de berekening van het voordeel moet dan enkel rekening worden gehouden met het KI van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.

Een bedrijfsleider die een goed (met een KI van meer dan 745 EUR) ter beschikking krijgt van een vennootschap, betaalt dus bijna vier keer zoveel als wie de woning ter beschikking krijgt van een natuurlijk persoon.

Voorbeeld
Jan krijgt een woning ter beschikking gesteld door Bert. Het geïndexeerd KI van de woning bedraagt 1.000 EUR. De waarde van het voordeel = 1.666,66 EUR.
Als Jan dezelfde woning ter beschikking krijgt van zijn vennootschap (bvba JAN), wordt de waarde van het voordeel = 1.000 × 100/60 × 3,8 = 6.333,33 EUR.

Wat was het probleem?

Belastingplichtigen die een woning ter beschikking krijgen, worden heel verschillend behandeld worden naargelang wie het goed ter beschikking stelt. Het ligt dan ook voor de hand dat bepaalde bedrijfsleiders die een woning ter beschikking kregen van hun vennootschap, zich gediscrimineerd voelden door die regels.

Is het verschil in behandeling terecht? De grondwet bevat immers een gelijkheidsbeginsel. Dit houdt in dat gelijke situaties, gelijk behandeld moeten worden. Een verschil in behandeling mag enkel als dat 'verantwoord' is. In dit geval: mag de rechtsvorm van de terbeschikkingsteller (natuurlijk persoon of rechtspersoon) invloed hebben op de waarde van het voordeel ? Of zou het voordeel eigenlijk altijd op dezelfde manier moeten worden berekend ?

Deze vragen werden recent twee keer voorgelegd aan de rechter, zowel aan het hof van beroep van Gent als dat van Antwerpen. De fiscus argumenteerde dat het verschil verantwoord is. De argumenten van de fiscus werden echter niet aanvaard. De hoven van beroep vonden het verschil dus niet verantwoord.

Wat nu?

Het is natuurlijk te vroeg om al victorie te kraaien, want de wetgeving zelf is nog niet vernietigd of aangepast. Voor de partijen in de betreffende zaken mag de betrokken bepaling niet worden toegepast, en moet het voordeel dus worden berekend volgens de formule van de terbeschikkingstelling door een natuurlijk persoon. Geen vermenigvuldiging met 3,8 dus. Anderen die zich benadeeld voelen, kunnen eventueel nog een bezwaarschrift indienen bij de fiscus, als de bezwaartermijn nog niet voorbij is.