Vrijstelling waardeverminderingen op handelsvorderingen als gevolg van coronacrisis

De fiscale administratie publiceerde in maart een nieuwe Circulaire (Ci. 2020/C/45) waarin ze bevestigt dat de economische crisis door het Covid-19-virus kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid die de vrijstelling rechtvaardigt op handelsvorderingen.

Waardevermindering. Wanneer u verwacht dat een factuur niet of niet volledig zal worden betaald, dan verplicht de boekhoudwet u om er een waardevermindering op te boeken. Vanuit fiscaal oogpunt is zo'n waardevermindering echter maar vrijgesteld als aan een aantal fiscale voorwaarden is voldaan.

Voorwaarden voor de fiscale vrijstelling?

Enkel indien verlies waarschijnlijk is

Een waardevermindering is maar fiscaal vrijgesteld, als het verlies van de vordering “waarschijnlijk” is. De belastingplichtige moet deze waarschijnlijkheid kunnen aantonen op grond van “bijzondere omstandigheden” die zich in de loop van het boekjaar voorgedaan hebben, niet louter op basis van een algemeen risico. Deze bijzondere omstandigheden moeten op het einde van het boekjaar nog steeds aanwezig zijn.

Verplichte terugname in bepaalde gevallen

Indien de debiteur de factuur nadien toch nog betaalt, of als het verlies niet meer waarschijnlijk is, moet de geboekte waardevermindering wel worden teruggenomen, d.w.z. als opbrengst geboekt worden.

Let wel: indien het verlies niet waarschijnlijk is, maar zeker, dan mag de vordering definitief worden afgeboekt als een “minderwaarde”.

Verlies precies te berekenen

Het risico op niet-betaling moet daarenboven “scherp omschreven” zijn per dubieuze debiteur. Voor elke klantenfactuur dient u het risico op niet-betaling te evalueren en beoordelen. Een globale waardevermindering van bv. 10 of 20% op alle vorderingen/facturen waarvoor de betalingstermijn verstreken is, kan dus fiscaal niet worden niet vrijgesteld.

Opgave 204.3

De laatste voorwaarde is dat bij de belastingaangifte een speciaal formulier (de opgave 204.3) moet worden gevoegd. Daarop moet u iedere schuldenaar met solvabiliteitsproblemen waarvoor u een fiscaal aftrekbare waardevermindering hebt geboekt, identificeren. Dit zolang de betreffende waardeverminderingen niet teruggenomen zijn.  

De hiervoor geciteerde circulaire bestaat grotendeels uit een herhaling van de wettelijke voorwaarden, maar ze vermeldt op het einde ervan dat “enige soepelheid mag worden toegepast” bij de beoordeling van de inningsmogelijkheden bij de klant-schuldenaar, waarvan de omzet aanzienlijk is afgenomen door de beperkende maatregelen die werden opgelegd door de federale regering in het kader van het coronavirus. 

Let wel!

Het gaat om een of meer bijzondere omstandigheden die zich pas in boekjaar 2020 hebben voorgedaan. De circulaire rechtvaardigt bijgevolg geen waardeverminderingen voor een boekjaar dat eindigt vóór aanvang van de coronacrisis.

Conclusie

Bij een fiscale controle zal naar verluidt “enige soepelheid” worden toegepast om de inningsmoeilijkheden te beoordelen van uw klanten met een sterk gedaalde omzet door de beperkende maatregelen van de federale regering in verband met het coronavirus. Waardeverminderingen op debiteuren die hun activiteiten verplicht moesten stopzetten door deze maatregelen, zullen normaal niet worden betwist.

De circulaire bevestigt dus dat de coronacrisis een “bijzondere omstandigheid” is die de aanleg van waardeverminderingen voor boekjaar 2020 rechtvaardigt, en dat de fiscus zich soepel zal opstellen bij de beoordeling ervan.

Bedrijfswagens in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2021

De hervorming vennootschapsbelasting van 2017 is nu op volle snelheid. Dit houdt in dat ook de budgettaire compensatie van de meer sympathieke maatregelen zoals de verlaging van de vennootschapsbelasting, nu ook begint te spelen. Zoals bijvoorbeeld voor de bedrijfswagens.

Autofiscaliteit aanslagjaar 2021

De autofiscaliteit voor vennootschappen is de laatste jaren meerdere keren gewijzigd. Hoe ziet die er uit voor aanslagjaar 2021? Ter verduidelijking: we spreken over aanslagjaar 2021 als de vennootschap haar boekhouding afsluit op of na 31/12/2020. Sluit een vennootschap haar boekhouding af vóór 31/12/2020 dan zijn de inkomsten van dat jaar onderworpen aan de regels vennootschapsbelasting van aanslagjaar 2020.
Belangrijke opmerking: als u uw boekjaar wijzigt, dan worden de gevolgen van die wijziging voor de toepassing van nieuwe wetgeving vaak genegeerd. Vraag uw adviseur hier zeker naar vooraleer u een beslissing neemt.

Aftrekbaarheid aan 120%

Een eerste maatregel betreft de aftrekbaarheid a rato van 120% van sommige uitgaven/investeringen. In de mobiliteitssector denken we dan in het bijzonder aan de 120% aftrekbaarheid van elektrische wagens en van het collectief vervoer van werknemers voor woon-werkverplaatsingen. Die 120% verdwijnt en wordt nu een 100% aftrek.

Een ander speciaal geval is de fiets die u als werkgever ter beschikking stelt aan personeel. Die is in de vennootschapsbelasting voortaan ook maar 100% aftrekbaar (voorheen: 120%). Maar in de personenbelasting blijft die aftrekbaarheid aan 120% wel behouden.

Bedrijfswagens

Voor alle voertuigen die een vennootschap heeft (ongeacht of ze ter beschikking gesteld worden van het personeel of niet) geldt vanaf aanslagjaar 2021 een nieuwe formule voor de berekening van de aftrekbaarheid.
Vroeger moest u het aftrekpercentage opzoeken in een tabel met de C02-uitstoot van het voertuig. Afhankelijk van de schijf waarin het voertuig zat, had u dan een aftrek van 50% (+ 195 gr/km CO2 voor diesels en 210 gr/km CO2 voor benzinewagens) tot 100%(- 60 gr/km CO2) en 120% voor elektrische wagens. Die berekening wordt nu vervangen door een formule die van toepassing is voor alle wagens (ook wagens zonder uitstoot).
De nieuwe formule luidt : [120% - (0,5 * X gr CO2/km)] * brandstofcoëfficiënt
Die brandstofcoëfficiënt is 1 voor dieselvoertuigen, 0,90 voor auto's met een aardgasmotor en een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale pk en 0,95 voor alle andere voertuigen (waaronder 100% elektrische voertuigen, benzinevoertuigen en voertuigen op waterstof).

CO2 van hybride voertuigen

Als uw vennootschap een voertuig bezit (eigendom, lease, ...) dat deels elektrisch wordt aangedreven en deels door diesel of benzine, dan is de bovenstaande formule ook nog steeds toepassing. De aftrek is dan gebaseerd op de CO2-uitstoot zoals die vermeld staat op het gelijkvormigheidsattest. Met ingang van 1 januari 2020 is daar echter een uitzondering op gekomen.

De fiscus stelde vast dat bepaalde luxe-voertuigen werden ingeschreven als hybride wagen maar dat in de praktijk de elektrische aandrijving slechts een beperkt vermogen had. Om dit misbruik te bestrijden, werd de notie van 'valse hybride' ingevoerd. Een valse hybride is een voertuig dat uitgerust is met een elektrische batterij met een energiecapaciteit van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot van meer dan 50 gram CO2 per kilometer. In een dergelijk geval mag u niet kijken naar het CO2-uitstootgehalte vermeld op het gelijkvormigheidsattest maar naar de CO2-uitstoot van het overeenstemmende voertuig dat uitsluitend voorzien is van een motor die gebruik maakt van dezelfde brandstof. De lijst van die voertuigen werd eind februari gepubliceerd op de website van de FOD Financiën (https://financien.belgium.be/nl/ondernemingen/vennootschapsbelasting/voordelen_van_alle_aard/).

Als er geen overeenstemmend voertuig is, wordt de uitstootwaarde vermenigvuldigd met 2,5.

Voordelen van alle aard

Stelt u een bedrijfswagen ter beschikking van medewerkers, dan moet u naast de bovenstaande aftrekbeperking ook nog rekening houden met een andere 'ontradende' maatregel inzake bedrijfswagens.
De medewerker verkrijgt een voordeel van alle aard als hij/zij rondrijdt met een voertuig van de werkgever. Dat voordeel wordt forfaitair berekend op basis van de cataloguswaarde van het voertuig, de leeftijd, de CO2-uitstoot...
Welnu, 17% van het bedrag van het voordeel wordt opgenomen in de belastbare basis in de vennootschapsbelasting. Als u er ook een tankkaart bij geeft, bedraagt het bedrag dat u moet toevoegen aan de belastbare basis voor de berekening van de vennootschapsbelasting zelfs 40% van het voordeel van alle aard.

De complexiteit van de mobiliteitsfiscaliteit is niet echt verminderd. Met de invoering van het mobiliteitsbudget zijn er nog tal van mogelijkheden bij gekomen waardoor de fiscaliteit van uw tussenkomst in de verplaatsingen van uw werknemers nog meer op een doolhof begint te lijken.

Bedrijfswagenfiscaliteit is niet voor doetjes...

Coronapremies voor Vlaamse ondernemers

Vlaamse ondernemingen en zelfstandigen die alle dagen of in het weekend verplicht moeten sluiten als gevolg van de coronavirusmaatregelen die de Nationale Veiligheidsraad trof, kunnen bij de Vlaamse Regering een coronahinderpremie en een bijkomende sluitingspremie aanvragen. Maar ook ondernemingen die niet verplicht moeten sluiten maar wel te maken krijgen met zwaar omzetverlies, vallen niet uit de boot met Vlaamse steunmaatregelen. Zij hebben recht op een compensatiepremie.

Hinderpremie en sluitingspremie

Ondernemingen die alle dagen verplicht gesloten zijn ten gevolge van de coronavirusmaatregelen die de Nationale Veiligheidsraad nam sinds 12 maart 2020, en waarbij hun locatie gesloten is, hebben recht op een forfaitaire subsidie van 4.000 euro.
Voor horeca-ondernemingen is het voldoende dat de gelagzaal verplicht is gesloten.
Ook ambulante handelaars en foorkramers komen in aanmerking als zij geconfronteerd worden met reguliere openbare markt of openbare kermis in het Vlaams Gewest die is gesloten door de coronavirusmaatregelen en waarop zij normaal aanwezig zouden zijn.
Ondernemingen die in het weekend verplicht moeten sluiten door de coronavirusmaatregelen, kunnen genieten van een forfaitaire subsidie van 2.000 euro.

Een bijkomende sluitingspremie is beschikbaar voor ondernemingen die vanaf 6 april 2020 alle dagen of in het weekend verplicht gesloten zijn als gevolg van de coronavirusmaatregelen. Die bijkomende sluitingspremie bedraagt 160 euro per verplichte sluitingsdag die samenvalt met een normale openingsdag. Hierbij gelden de openingsdagen die gangbaar waren op 13 maart 2020.

Voor wie?

Komen in aanmerking voor deze premies:

  • natuurlijke personen die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefenen in hoofdberoep; ook zelfstandigen in bijberoep die, op basis van hun netto-belastbaar beroepsinkomen, gelijkaardige sociale bijdragen moeten betalen zoals een zelfstandige in hoofdberoep; 
  • vennootschappen met rechtspersoonlijkheid van privaat recht, buitenlandse ondernemingen met een vergelijkbaar statuut en verenigingen met een economische activiteit.

De vennootschappen met rechtspersoonlijkheid van privaat recht en buitenlandse ondernemingen met een vergelijkbaar statuut moeten minstens één werkende vennoot of één bij de RSZ ingeschreven voltijdse werknemer tewerkstellen; ook de verenigingen met een economische activiteit moeten minstens één bij de RSZ ingeschreven voltijdse werknemer tewerkstellen;.
Deze ondernemingen hebben een actieve exploitatiezetel in het Vlaams Gewest overeenkomstig de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO).

Bij meerdere exploitatiezetels, hogere premies

Voor de ondernemingen die een forfaitaire subsidie van 4.000 euro ontvangen, worden de premies verhoogd als de onderneming beschikt over meer bijkomende exploitatiezetels die gesloten zijn ten gevolge van de coronavirusmaatregelen en waar minstens één bij de RSZ ingeschreven voltijdse werknemer is tewerkgesteld.

De verhoging wordt berekend door de forfaitaire subsidie en bijkomende sluitingspremie te vermenigvuldigen met het aantal bijkomende exploitatiezetels. De verhoging is beperkt tot maximaal vier bijkomende exploitatiezetels.

Hoe tewerk gaan?

De online applicatie op de website van het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) is beschikbaar sinds 27 maart 2020. Voor het indienen van de aanvraag hebt u tijd tot en met 18 juni 2020. De aanvrager moet zich identificeren via zijn/haar elektronische identiteitskaart (e-id) of via een andere aanmeldsleutel. 

Het Agentschap Innoveren en Ondernemen onderzoekt of de ondernemingen en zelfstandigen de voorwaarden hebben nageleefd. Ze bezorgt vervolgens een schriftelijke kennisgeving van haar beslissing aan de aanvrager. Als het Agentschap beslist dat de subsidie wordt toegekend, volgt de uitbetaling. De subsidie wordt enkel uitbetaald op een Belgisch rekeningnummer op naam van de begunstigde onderneming.

Ondernemers die niet in staat zijn zelf digitaal een aanvraag in te dienen of een volmacht hiervoor aan hun accountant te geven, mogen via e-mail contact opnemen met VLAIO (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.">Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.), met vermelding van het ondernemingsnummer en telefoonnummer van de klant en van de accountant, waarbij tevens wordt vermeld wie bij voorkeur zal worden gecontacteerd.

Compensatiepremie bij groot omzetverlies

Op 1 april jl. kondigde de Vlaamse regering nog een nieuwe steunmaatregel aan:  een compensatiepremie van 3.000 euro voor bedrijven die verder werken maar 60% van hun omzet verliezen ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. De referentieperiode loopt van 14 maart 2020 tot 30 april 2020.

Volgende sectoren komen in aanmerking: de evenementensector, (para-)medische beroepen, dierenpensions, landbouwsector, dienstenleveranciers of gespecialiseerde voedings- en drankenwinkels zoals een pralinewinkel of wijnhandel.

De aanvraag voor een compensatiepremie gebeurt, net zoals de hinderpremie, bij het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO).

Belastingvrije loonbonussen: grensbedragen

Eind 2007 werd een wettelijk kader gecreëerd dat werkgever toelaat om, vrij van belastingen en RSZ-bijdragen, zogenaamde niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen toe te kennen. Er zijn wat voorwaarden na te leven en er is ook een grensbedrag. Recent werd het grensbedrag voor 2020 bekendgemaakt.

 

Voorwaarden

Een 'niet-recurrent resultaatsgebonden voordeel' ... de naam bevat eigenlijk alle sleutelelementen van het stelsel.

Het gaat om een voordeel of bonus die 'resultaatsgebonden' is. Dit betekent dat de bonus die u toekent, gekoppeld is aan het resultaat van de onderneming. U zet dus doelstellingen op en de bonus wordt toegekend als die doelstellingen gehaald worden.

Het moet ook een 'niet-recurrent' voordeel zijn. Dat ligt feitelijk ingebakken in het gegeven dat u een doelstelling moet zetten over een bepaalde periode. Als die periode voorbij is, is het bonusplan ook voorbij. U moet de bonus toekennen aan gans het personeel of minstens aan een bepaalde groep en u moet toekennen op basis van objectieve criteria.

 

Vrij van belastingen en van RSZ (of toch bijna)

De bonus is vrijgesteld van personenbelasting voor de werknemer. Voor RSZ-doeleinden wordt het voordeel niet als loon beschouwd en er worden daarom geen gewone RSZ-bijdragen op ingehouden. Maar er zijn wel enkele 'bijzondere bijdragen' verschuldigd: in hoofde van de werkgever is er de bijzondere bijdrage van 33% en in hoofde van de werknemers een solidariteitsbijdrage van 13,07%.

Voor de werkgever zijn zowel de bonus als de bijzondere bijdrage aftrekbare beroepskosten.

 

Grensbedragen voor 2020

Er is ook een limiet op het bedrag dat u als werkgeven mag uitkeren. Het grensbedrag is gekoppeld aan de gezondheidsindex. Begin december werden de nieuwe grensbedragen gepubliceerd voor de voordelen die worden betaald vanaf 1 januari 2020:

·      Voor RSZ-doeleinden bedraagt het grensbedrag 3.413 euro (tegenover 3.383 euro in 2019).

·      Voor fiscale doeleinden bedraagt het grensbedrag 2.968 euro (tegenover 2.942 euro in 2019).

Het verschil tussen de twee bedragen is te verklaren door de solidariteitsbijdrage van 13,07% die u moet inhouden ten laste van de werknemer. Deze bedragen gelden per kalenderjaar en per werknemer.

Bij overschrijding van de limiet wordt het overschrijdend deel van de bonus als gewoon loon beschouwd wat betekent dat u als werkgever a) de gewone RSZ-bijdrage van de werkgever moet betalen, b) de gewone RSZ-bijdrage van de werknemer moet inhouden en vooral c) de bedrijfsvoorheffing moet inhouden.

Als u een bonusplan wil invoeren moet u nog heel wat formaliteiten en procedures doorlopen. Sinds 1 januari 2019 zijn er nieuwe en verplicht te gebruiken formulieren en sinds maart 2019 kan u de procedure ook deels online doorlopen (via www.bonusplannen.be). Belangrijk is dat u tijdig begint. De deadline voor het indienen van een toekenningsplan tot loonbonus voor het kalenderjaar 2020 is 30 april 2020.

 

 

 

 

Dividenden: enkel als het kan

Eén van de belangrijke hervormingen uit het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) is de zogenaamde dubbele uitkeringstest. BV's en CV's mogen enkel nog maar dividenden uitkeren als de netto-actieftest en de liquiditeitstest een positief resultaat geven. Voor NV's geldt enkel de netto-actieftest.

Netto-actieftest

De eerste test is de netto-actieftest: het netto-actief van de vennootschap moet op het ogenblik van de uitkering positief zijn, en mag door de uitkering niet negatief worden.

U berekent het bedrag van het netto-actief op basis van de laatst goedgekeurde jaarrekening van de vennootschap tenzij die bedragen op het ogenblik van de uitkering achterhaald zouden zijn. Als u een uitkering doet uit de winst van het lopende boekjaar, dan moet u zich baseren op de meest recente staat van activa en passiva.

U verhoogt vervolgens de ondergrens nog met het bedrag van het onbeschikbaar gedeelte van het eigen vermogen.

Als uw vennootschap een commissaris heeft, dan moet hij/zij de staat van activa en passiva beoordelen.

Liquiditeitstest

Levert de netto-actieftest een positief resultaat op, dan mag de algemene vergadering beslissen om een dividend uit te keren. Maar de bestuurders mogen pas uitkeren nadat ze de liquiditeitstest hebben uitgevoerd. Daardoor worden de bestuurders dus aansprakelijk als blijkt dat de vennootschap onvoldoende liquiditeiten had voor de uitkering van het dividend.

Immers, met de liquiditeitstest moet de raad van bestuur testen of de vennootschap na de dividenduitkering in staat zal zijn om de schulden te voldoen die opeisbaar worden over een periode van minstens 12 maanden. Niet alleen moet er rekening gehouden worden met de schulden die opeisbaar worden, maar ook de gebeurtenissen die verder in de toekomst liggen en een invloed zullen hebben op de liquiditeitspositie van de vennootschap, moeten in rekening worden gebracht.

De liquiditeitstest is dus geen simpel rekensommetje. De bestuurders moeten wel vertrekken van de verhouding tussen de vlottende activa en de schulden op korte termijn. Maar daarbovenop moeten ze ook kijken naar de voorzienbare gebeurtenissen in de toekomst.

Het resultaat van de test, en hoe men er toe gekomen is, moet toegelicht worden in een verslag. Dat verslag moet niet gepubliceerd worden maar als er een commissaris is in de vennootschap, dan moet hij/zij het verslag wel beoordelen.

Dividenden en andere uitkeringen

U moet deze testen (laten) uitvoeren, niet alleen bij de uitkering van dividenden. Ze gelden zeker ook al bij de uitkering van tantièmes aan de bestuurders.

De testen zijn eigenlijk verplicht bij om het even welke uitkering aan aandeelhouders. We denken dan bijvoorbeeld aan de inkoop van eigen aandelen en aan de terugbetaling van een inbreng (in geld of in natura) die niet statutair onbeschikbaar werd gesteld.

Negatief resultaat en toch uitkering

Als u, als aandeelhouder beslist een dividend uit te keren niettegenstaande de netto-actieftest negatief was, dan kan de vennootschap de uitgekeerde bedragen simpelweg terugvorderen. Daarbij is het zonder belang of de aandeelhouder van goede trouw was of niet.

Bij uitkering bij een negatieve liquiditeitstest ligt de verantwoordelijkheid bij de bestuurders. Zij kunnen hoofdelijke aansprakelijkheid gehouden worden, in eerste instantie tegenover de vennootschap, maar ook tegenover derden voor alle schade.

Bovendien zijn er ook strafrechtelijke sancties voorzien voor de bestuurders als ze de dubbele uitkeringstest schenden.