Voorafbetalen in 2019

Ondernemingen die onvoldoende voorafbetalingen doen, worden daarvoor gestraft. Ze moeten een belastingvermeerdering betalen. Omdat de fiscus voorafbetalen zoveel mogelijk wil aanmoedigen, werd het vermeerderingspercentage in de vennootschapsbelasting vastgezet op minstens 6,75 %.

Moet u voorafbetalen?

U moet voorafbetalen als u winsten of baten behaalt. Dat betekent dat ondernemers, vrije beroepers en alle vennootschappen voorafbetalingen moeten doen. Doen ze dat niet, dan worden ze daarvoor gestraft met een vermeerdering. 

Wanneer moet u voorafbetalen in 2019?

Ondernemingen die hun boekjaar afsluiten op 31 december 2019, betalen ten laatste op:

  • voorafbetaling 1: 10 april 2019
  • voorafbetaling 2: 10 juli 2019
  • voorafbetaling 3: 10 oktober 2019
  • voorafbetaling 4: 20 december 2019

Vermeerderingspercentage altijd minstens 6,75 % voor vennootschappen

Het vermeerderingspercentage is gelijk aan 2,25 keer de basisrentevoet. De basisrentevoet is de interestvoet van de Europese Centrale Bank op 1 januari van het belastbare tijdperk. De minimale basis is wettelijk bepaald op 3 %. Dat betekent dat het vermeerderingspercentage altijd minstens 6,75 % zal bedragen in de vennootschapsbelasting. In de personenbelasting blijft het percentage 2,25 %.

Een voorbeeld in de personenbelasting

Uw eenmanszaak is 100.000 euro belasting verschuldigd in 2019 (aanslagjaar 2020).  De maximale vermeerdering voor wie geen enkele voorafbetaling doet =  100.000 euro x 2,25 % = 2.250 euro.

Door wel voorafbetalingen te doen, werkt u deze potentiële vermeerdering weg. Iedere voorafbetaling doet het bedrag van de vermeerdering afnemen.

  • VA 1: 27.000 x 3,00 % =  810 euro
  • VA 2: 43.000 x 2,50 % = 1.075 euro
  • VA 3: 30.000  x 2,00 % = 600 euro
  • VA 4: 0 x 1,50 % = 0 euro
  • Totaal = 2.485 euro

Hiermee heeft u de vermeerdering van 6.750 euro volledig weggewerkt en zelfs iets meer voorafbetalingen gedaan dan nodig.

Een voorbeeld in de vennootschapsbelasting

Een vennootschap is 100.000 euro belasting verschuldigd over haar winst  van 2019 (aanslagjaar 2020).  De maximale vermeerdering als de vennootschap geen enkele voorafbetaling doet = 100.000 euro x 6,75 % = 6.750 euro.

Door onderstaande voorafbetalingen te doen, werkt de vennootschap deze potentiële vermeerdering weg:

  • VA 1: 27.000 x 9,00 % =  2.430 euro
  • VA 2: 43.000 x 7,50 % = 3.225 euro
  • VA 3: 30.000  x 6,00 % = 1.800 euro
  • VA 4: 0 x 4,50 % = 0 euro
  • Totaal = 7.455 euro

De vermeerdering is volledig weggewerkt.

 

Investeringsaftrek 2020: op welk percentage heeft u recht?

Vorig jaar werd het standaardtarief van de investeringsaftrek voor kmo’s op 20 % gebracht. Voor investeringen die u dit jaar doet (aanslagjaar 2020) blijven dezelfde percentages gelden als vorig jaar (investeringen 2018, aanslagjaar 2019).

Eénmalige aftrek

De nieuwe percentages die we hier vermelden zijn van toepassing voor investeringen gedaan in 2019. Zowel natuurlijke personen als vennootschappen kunnen van de investeringsaftrek genieten.

Natuurlijke personen

  • investeringen in beveiliging: 20,5 %.
  • andere investeringen: 20 % (voor investeringen gedaan tot 31 december 2019)

Vennootschappen

Voor alle vennootschappen:

  • octrooien, milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, energiebesparende investeringen, rookafzuig- of verluchtingssystemen in horeca-inrichtingen: 20 % (voor investeringen gedaan tot 31 december 2019, daarna opnieuw 13,50 %).
  • investeringen tot aanmoediging van het hergebruik van verpakkingen van dranken en nijverheidsproducten: 3 %.

Vennootschappen die hebben gekozen voor het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, genieten al van een ander fiscaal voordeel. Het belastingkrediet mag niet gecombineerd worden met de investeringsaftrek. De vennootschap moet dus het ene of het andere kiezen.

Voor binnenlandse kmo's  (grote vennootschappen zijn hiervan uitgesloten)

  • investeringen in beveiliging: 20,5 %.
  • digitale investeringen: 20 % (voor investeringen gedaan tot 31 december 2019, daarna opnieuw 13,50 %).
  • andere investeringen: 20 %  (voor investeringen gedaan tot 31 december 2019, daarna opnieuw 8 %).

Speciaal voor vennootschappen die uitsluitend winst uit de zeescheepvaart verkrijgen: investeringen in zeeschepen : 30%

Gespreide aftrek

Natuurlijke personen-ondernemers die op 1 januari 2019 minder dan 20 werknemers tewerkstelden kunnen de gespreide aftrek toepassen. In dat geval bedraagt de aftrek elk jaar waarin deze investering wordt afgeschreven 10,5 % van de afschrijving van dat jaar. Voor milieuvriendelijke investeringen gelden bijzondere regels: daarvoor kunnen zowel natuurlijke personen als vennootschappen ongeacht het aantal tewerkgestelde werknemers, een gespreide aftrek toepassen van  20,5%. 

Aanvraag attesten

Om de aftrek voor milieuvriendelijke of energiebesparende investeringen te kunnen toepassen, moet u bij de bevoegde gewestelijke overheden een attest aanvragen. Let op: enkele telefoonnummers zijn gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren.

Een attest voor milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling kunt u, naargelang de plaats van de investering, aanvragen bij:

  • Het Vlaams Gewest: Vlaamse Overheid, Departement Omgeving - Afdeling Partnerschappen met besturen en maatschappij, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel, tel. 02/553.85.03, e-mail: attest-OenO.omgeving@vlaanderen.
  • Het Waals Gewest: Service Public de Wallonie, Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement, Chaussée de Louvain 14, 5000 Namur, tel. 081/64.95.92, fax. 081/64.95.33, www.environnement.wallonie.be.
  • Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Leefmilieu Brussel, Thurn & Taxis-site, Havenlaan 86/C3000, 1000 Brussel, tel. 02/775.77.75, fax. 02/775.75.05, www.leefmilieubrussel.be.

Een attest voor energiebesparende investeringen kunt u, naargelang de plaats van de investering, aanvragen bij:

  • Het Vlaams Gewest: Vlaamse Overheid,Vlaams Energieagentschap, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert II-laan 20 bus 17, 1000 Brussel, tel. 02/553.46.00, www.energiesparen.be..
  • Het Waals Gewest: Service Public de Wallonie, Direction générale opérationnelle Aménagement du Territoire, Logement, Patrimoine et Energie, Département de l'Energie et du Bâtiment durable, Chaussée de Liège 140-142, 5100 Jambes, tel. 081/48.64.31, fax. 081/48.63.03, www.energie.wallonie.be.
  • Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Leefmilieu Brussel, Thurn & Taxis-site, Havenlaan 86/C3000, 1000 Brussel, tel. 02/775.75.75, www.leefmilieubrussel.be.

Vennootschapsbelasting: minimumbezoldiging voor de bestuurders

Kleine ondernemingen kunnen genieten van een lager tarief vennootschapsbelasting. Er zijn een rist voorwaarden waaraan u moet voldoen, waaronder een minimumuitkering aan de bestuurder. Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting in 2017 werd een extra "sanctie" voorzien bij niet-naleving ervan. Die sanctie is ondertussen al weer opgeheven, maar de voorwaarde bestaat nog wel.

Lager tarief, meer bezoldiging

 

Als u gebouwen verhuurt aan btw-plichtigen voor maximaal 6 maanden, dan kon u vroeger kiezen om geen btw toe te passen. Dat kan niet meer: korte termijnverhuringen aan btw-plichtigen zijn voortaan steeds onderworpen aan btw. Verhuurt u enkel aan particulieren of aan niet-btw-plichtige vzw's dan verandert er niets en is er ook na 1 januari 2019 geen btw verschuldigd voor zo’n korte termijnverhuring.

De hervorming vennootschapsbelasting van 2017 was gebouwd rond de verlaging van de vennootschapsbelasting. Het standaardtarief bedraagt 29% voor aanslagjaar 2019 en vanaf aanslagjaar 2021 daalt het naar 25%. Het verlaagd tarief voor kleine vennootschappen bedraagt slechts 20% op de eerste schijf van 100.000 euro. Daarboven geldt het standaardtarief.
Voor de aanslagjaren 2019 en 2020 moeten deze tarieven nog met 2% crisisbijdrage verhoogd worden. Vanaf aanslagjaar 2021 valt die bijdrage weg.

Het verlaagd tarief vennootschapsbelasting is wel aan enkele voorwaarden onderworpen. Eén van de voorwaarden is dat de vennootschap een minimumbezoldiging moet betalen aan minstens één bestuurder. Die voorwaarde bestaat al meer dan 20 jaar, maar het bedrag van de minimumbezoldiging werd in 2017 opgetrokken van 36.000 euro naar 45.000 euro (of ten minste een bedrag gelijk aan het belastbare resultaat als dat kleiner is dan 45.000 euro). Keerde de vennootschap onvoldoende bezoldiging uit, dan gaat het verlaagd tarief verloren en betaalt de vennootschap 29% over haar volledige winst, een verschil van 9% op maximum 100.000 euro dus.
Merk nog op dat voorwaarde van een minimumbezoldiging voor het verlaagd tarief niet geldt gedurende de eerste vier belastbare tijdperken vanaf de oprichting van de vennootschap.

Goedkoper via een vennootschap?

Als het tarief vennootschapsbelasting “slechts” 29% bedraagt (en voor kleine vennootschap zelfs maar 20%), dan zou het wel eens erg verleidelijk kunnen zijn om activiteiten in de mate van het mogelijke via een vennootschap te laten lopen in plaats van rechtstreeks als natuurlijk persoon. Uw beroepsinkomen ondergaat in de personenbelasting al snel een tarief van 50% (ongeveer vanaf 40.000 euro inkomen). Plaats er een vennootschap tussen en u kan het inkomen als het ware verdelen tussen u en de vennootschap op de meest gunstige manier.

De regering zag deze belastingontwijking niet zo zitten. Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting in 2017 voorzag ze dus ook in een nieuwe belasting. Vennootschappen (klein of niet) zouden een belasting van 5% moeten betalen op het verschil tussen 45.000 euro en de hoogst toegekende bedrijfsleidersbezoldiging. Een kleine vennootschap zou dus twee keer langs de kassa moeten passeren als zij geen 45.000 euro bezoldiging zou uitkeren aan minstens één bestuurder: een afzonderlijke aanslag van 5% plus het verlies van het verlaagd tarief.

Reparatie: het is er nooit geweest

Maar deze afzonderlijke aanslag komt er niet. De regering draaide de maatregel volledig terug. De repartiewet trekt de belasting weer in en het is alsof de aanslag van 5% nooit heeft bestaan.

Kleine vennootschappen hebben er wel nog steeds belang bij om de voorwaarde van een minimumbezoldiging van 45.000 euro na te leven, om van het verlaagde tarief op de eerste 100.000 euro winst te genieten. Andere vennootschappen zijn er van verlost.

Wanneer wordt btw aangerekend op onroerende verhuur?

Sinds 1 januari 2019 is btw verschuldigd bij verhuring van onroerende goederen… of beter gezegd: kan er btw verschuldigd zijn. De belastingadministratie verduidelijkte onlangs in welke gevallen er btw op de huurprijs kan zitten.

Drie gevallen

Er zijn drie situaties waarin btw wordt aangerekend op onroerende verhuur:

  • als de huurder en de verhuurder kiezen voor verhuring met btw (de zogenaamde optionele btw-heffing);
  • bij bij de verhuring van opslagruimten. Dat was vroeger ook al mogelijk maar voortaan is er een onderscheid naargelang de huurder een belastingplichtige is of niet; en
  • bij verhuring van onroerende goederen op korte termijn (minder dan 6 maanden).

Optionele btw-heffing

Bij de optionele btw-heffing kiezen verhuurder en huurder samen om de verhuring aan btw te onderwerpen. Ze moeten daarvoor een “pro fisco”-verklaring opnemen in de huurovereenkomst. Het voordeel voor de verhuurder is uiteraard dat de btw die hij/zij zelf betaalde, aftrekbaar wordt.

Bijkomend is vereist dat de huurder het onroerend goed gebruikt voor een btw-activiteit. De btw op de huurprijs is dus ook voor de huurder aftrekbaar. Hou er wel rekening mee dat het onroerend goed redelijk nieuw moet zijn want de verhuurder mag er nog geen btw op betaald hebben vóór 1 oktober 2018. De fiscus interpreteert deze voorwaarde redelijk soepel: met btw betaald naar aanleiding van afbraakwerken of btw betaald aan de architect wordt geen rekening gehouden, ook al is dit vóór 1 oktober. Voor het criterium “de eerste keer btw na 1 oktober 2018” wordt dus de btw op facturen van de hoofdaannemer aan de bouwheer/verhuurder nagekeken.

Het systeem geldt enkel voor passieve verhuring (dus louter verhuring van een onroerend goed, zonder diensten). Het geldt niet voor terreinen. Verhuurt u een gebouw met terrein, dan kan de prijs voor beiden samen aan btw onderworpen worden, maar bij verhuring van een terrein alleen kan u nooit kiezen voor btw. U kan daarentegen wel kiezen voor btw als u slechts een deel van een gebouw verhuurt. Dat deel moet wel economisch zelfstandig kunnen functioneren. Het zal bijvoorbeeld een afzonderlijke toegang moeten hebben.

Als de btw voor bedrijfsactiva (bijvoorbeeld een gebouw) in aftrek werd gebracht, en later wordt het beroepsmatige gebruik van die activa onderbroken, dan moet u een zogenaamde btw-herziening toepassen. Dat betekent dat u een deel van de afgetrokken btw moet terugbetalen voor het deel van de “herzieningsperiode” dat nog niet is verstreken. Voor gebouwen is die herzieningsperiode 15 jaar. Voor andere bedrijfsactiva is dit 5 jaar. Als u gebruik maakt van de optionele regeling, dan is de keerzijde van de medaille wel dat de herzieningstermijn niet 15 jaar is, maar 25 jaar.

In principe zou u ook een btw-herziening moet doen voor de periode dat het gebouw leegstond (bijvoorbeeld als een huurder werggaat). Maar daar werd een mouw aangepast in deze regeling: onder bepaalde voorwaarden moet u geen herziening doen als u een tijdlang geen verhuring hebt.

Verhuring van opslagruimten

De terbeschikkingstelling van opslagruimten was in het verleden ook al onderworpen aan btw maar er is toch een belangrijke nieuwigheid. In geval van een verhuring aan een btw-plichtige (een zgn. B2B-verhuring) was de verhuurder verplicht om met btw te verhuren van zodra het betrokken gebouw voor meer dan 90% als opslagruimte werd gebruikt.

Vanaf 1 januari 2019 kan u al btw toepassen als het gebouw voor meer dan 50% als opslagruimte wordt gebruikt. Is er een commercieel deel in dat gebouw (bv. een verkoopsruimte) dan mag die niet groter zijn dan 10% van het gebouw. Wordt de 50% niet gehaald of wordt de 10% overschreden, dan is er wettelijk gezien geen sprake van een opslagruimte en kan u dus niet verhuren met btw, tenzij u kiest voor de optionele verhuur met btw zoals hierboven omschreven.

Een B2C-verhuring (aan een niet btw-plichtige, zoals een particulier) van opslagruimten blijft in alle gevallen onderworpen aan btw.

Korte termijnverhuring

Als u gebouwen verhuurt aan btw-plichtigen voor maximaal 6 maanden, dan kon u vroeger kiezen om geen btw toe te passen. Dat kan niet meer: korte termijnverhuringen aan btw-plichtigen zijn voortaan steeds onderworpen aan btw. Verhuurt u enkel aan particulieren of aan niet-btw-plichtige vzw's dan verandert er niets en is er ook na 1 januari 2019 geen btw verschuldigd voor zo’n korte termijnverhuring.

De Blay + Partners steunt het Grimburgerfonds en de Ronde van België

Op 14 juni rijdt de Baloise Belgium Tour door Grimbergen. De Blay + Partners steunt deze wielerklassieker en het Grimburgerfonds dat naar aanleiding van deze wedstrijd geld inzamelde voor enkele plaatselijke projecten.

Het kantoor ligt op het parcours van de wedstrijd en zal dus uitzonderlijk gesloten zijn op vrijdag 14 juni. Aangezien enkele van onze klanten meerijden in de Tour gaan wij met het team voor de deelnemende renners supporteren.